RUZIE
Een dag door de week. Herfst.
Laat in de middag. De zon staat al laag.
"Annet, oehoe!" had ze geroepen, "Ik ga nog
even snel naar de groenteman. Voor dat
pappa thuiskomt."
De vorige avond hadden ze een knallende ruzie
gemaakt. Over iets onbenulligs.
Zo ging het altijd. Iets zat één van de twee dwars.
Dat iets werd niet uitgesproken.
Niet gewoon 'op tafel gegooid.' En vervolgens
was er niets nodig om geïrriteerd ruzie te gaan
zitten maken over een futiliteit.
Met de ruggen naar elkaar toe waren ze in
slaap gevallen. Jan was eerder opgestaan dan
anders en al naar zijn werk verdwenen, toen
zij beneden kwam.
Het bleef haar de hele dag dwarszitten.
Bij de groenteman had ze andijvie gekocht.
Jan was dol op andijvie.
Op zijn werk had hij zijn kop er niet goed bij
kunnen houden. "Kutwijf! Altijd wat te mekkeren."
Tussen de middag was hij naar buiten gegaan.
Frisse lucht happen en twee straten verder
tegen Frits van Leeuwen gebotst, die hem
verdwaasd had aangekeken en riep: "Sorry Jan,
ik moet vlug naar huis. Er is iets met Brigit gebeurd."
En weg was hij.
In gedachten was Jan de tassenwinkel bijna
voorbijgelopen.
Vlak bij huis reden ze naast elkaar.
Hij deed het raampje open. Ze keek hem aan.
"Ben je nog boos?" vroeg Jan.
---