In de verte zie ik hem aankomen,
zonder wandelstok, goed verzorgd.
Hoewel het lekker warm weer is,
heeft de oude man zich dik gekleed.
Pet op, wollen sjaal,
voor zijn leeftijd een blits jack,
corduroy broek, makkelijke schoenen,
gehoorapparaat,
stevig achter het oor geplakt.
Traag beweegt hij zich voort,
alsof hij wind tegen heeft.
Met het stijve lijf voorovergebogen,
schuifelt hij met kleine stapjes
voetje voor platvoetje vooruit.
Gebogen is fout uitgedrukt,
wel voorover maar toch recht
in een onnatuurlijke hoek.
Stijf als een geknakte lantaarnpaal
na een botsing met een auto.
Het hoofd is al verder dan zijn voeten
die hij aarzelend verplaatst,
het ziet er ongemakkelijk uit.
De man puft dan ook als een stoommachine,
als hij mij passeert, en aangezien ook ik
de jongste niet meer ben,
weet ik:
Ouderdom komt met gebreken.
Hij stopt naast mij
en kijkt me bijna verontschuldigend aan.
"Valt soms niet mee hè," zeg ik begripvol.
"Als de bus nog maar niet weg is," hijgt hij
met iets van paniek in de ogen.
"Ik vraag wel of hij even wacht," reageer ik alert.
Voor mijn doen onverwacht behulpzaam.
De halte is een dikke honderd meter verder.
Ik stap er zo snel mogelijk naar toe.
Net op tijd.
"Chauffeur, mijn broer komt eraan," roep ik,
"Hij loopt wat moeilijk. Hebt u een momentje geduld?"
Dat heeft hij.
Vijf minuten later wuif ik de vreemdeling het dorp uit.
Ziezo, vandaag eindelijk
weer eens een goede daad verricht.
---