JONGEN
Als je de buitendeur hebt geopend, sta je in een voorportaaltje van krap twee meter
en kijkt tegen een steile kale houten trap van 20 treden aan. Daarna volgen twee trappen van 15 treden, keurig bekleed met een traploper, door glimmend koperen roeden op zijn plaats gehouden. Naar zolder zijn het opnieuw 15 kale treden.
Na 65 stuks van 20cm hoog sta je op 13 meter boven NAP.
Om zijn zolderkamer te bereiken moet de jongen dat elke avond beklimmen, met zijn fiets op de schouder (een fietsenstalling is te duur) De eerste twee trappen gaan recht toe recht aan steil omhoog. Daarna moet hij voorzichtig een scherpe bocht maken over het portaal van mevrouw Retra, een alleenstaande dame die van wanten weet en niet graag haar muur bekrast ziet.
De derde trap is van zijn ouders, die hij zonder kraakgeluiden probeert te passeren.
Op zolder zet hij zijn fiets tegen de portaalleuning, ruikt telkens weer de typische geur van de geheimzinnige lattenzolders, zoekt in het donker naar het sleutelgat van zijn kamerdeur en eenmaal binnen knipt hij het ongezellige peertje aan het plafond tot leven.
Met de armen onder zijn hoofd ligt hij een tijdje op bed naar het door lekkage verwoeste plankenplafond te staren. Maar behalve een paar spinnen valt daar verder weinig te beleven.
Hij doet zijn ogen dicht en ziet in gedachten zijn ouders zitten. Bij de potkachel.
Moeder haakt waarschijnlijk het honderdzoveelste kanten kleedje.
Vader leest een krant, of een bibliotheekboek, of draait een shaggie, of aan de zenderknop van zijn Telefunkenradio. Pa kijkt op zijn horloge. Waar blijft die jongen?
De jongen zucht, staat op, vindt dat hij voor zijn fatsoen maar even naar beneden moet.
Wil je een kruik, jongen? Elke avond hetzelfde ritueel.
Weer terug - beneden gewassen aan keukengootsteentje met koud water -
kleedt hij zich uit en duikt zijn steenkoude donkerrode stalen bed in. Met zijn hand strijkt hij over de dubbele tengelwand, die hem scheidt van de kamer aan de andere kant. Door mevrouw Retra verhuurd aan een man.
De jongen luistert ingespannen of hij leven hoort.
Weliswaar is damesbezoek streng verboden, maar soms hoort hij onderdrukt gepraat en kraakt het bed hevig en langdurig. De jongen stelt zich dan voor hoe de man met zijn vriendin angstvallig stil langs zijn hospita op twee hoog is geslopen.
Hij zal niet de eerste zijn die er op staande voet uitgeknikkerd wordt.
"Het is maar dat u het weet. Van dat gedonder, daar wil ik op mijn kamers niks van hebben."
Maar vanavond is het stil.
Rechts in de hoek van zijn kamer staat de afgedankte pathefoonkast van zijn vader.
Bovenop een klep waaronder de draaitafel. Daaronder twee openslaande deurtjes met de platenverzameling. De kast stond beneden in de weg.
Sinds er in de oorlog geen stalen naalden voor de pick-upkop meer te krijgen waren,
alleen houten met groengeschilderd puntjes die snel bot werden, heeft Pa er niet meer naar omgekeken.
Naast zijn bed een grote tafel waarop een ingelijste foto van zijn meisje en hij.
Verder zijn horloge, portemonnee, treinabonnement, pakje shag, vloeitjes, en nog wat verspreide rotzooi. Een carricatuurtekening aan de muur. Een geruite lap om de vochtplekken te bedekken. Een schuinhangende spiegel.
Links, in de hoek bij het krakkemikkige raam, een oude versleten pluche leunstoel waar zijn kleren opliggen. Het schuifraam staat, door een houten blokje eronder, altijd op een kier.
Makkelijk om 's nachts een plasje te kunnen doen op het zinken dak van de waranda.
De jongen leunt naar rechts om door een spleet tussen de gordijnen op de verlichte torenklok van het Roelofhartplein te kijken. Halftwaalf. Morgen weer een dag.
---