Jopa schreef voor zijn kleinkinderen het verhaal van
DE KONAAS EN DE SLAK
Ja, nu willen jullie natuurlijk direct weten wat een konaas is.
Maar dat vertel ik nog even niet.
Wat verderop in dit verhaal wordt het vanzelf duidelijk.
Goed, daar gaan we.
Op een mooie prille lentemorgen liep Jopa over een weggetje,
met daarnaast een sloot en daar weer naast een fris groen weitje.
Jopa was een beetje moe van het wandelen
en ging daarom aan de kant van de weg zitten. Bij de sloot.
Aan de overkant van de sloot zag Jopa een haasje huppelen
die af en toe een lekker knabbeltje nam van de verse jonge
grassprietjes in de wei.
Maar Jopa was zijn bril vergeten en kon daarom niet goed zien
of de haas wel een haas was.
'Misschien is het wel een konijn,' dacht Jopa.
Want hazen en konijnen lijken heel erg op elkaar.
Allebei van die grote flaporen die ze alle kanten op kunnen draaien
om goed te kunnen horen.
'Weet je wat,' dacht Jopa, 'Voor de zekerheid noem ik hem maar
een konaas. Drie letters van konijn en drie letters van de haas.
Kunnen ze allebei tevreden zijn.' En dat rijmt ook nog.
"Dag Konaas," zei Jopa, maar de konaas zei niets terug.
Die had het veel te druk met knabbelen.
En bovendien stootte de konaas op dat moment zijn neus
tegen iets glibberigs. Daar schrok hij van.
"Wat is dát nou?" riep Konaas,
"Bah, wat vies, er zit iets slijmerigs op mijn neus geplakt."
Met beide pootjes wreef hij hard om het enge ding weg te poetsen.
Er viel een slak op de grond.
"Ga weg, eng ding," riep Konaas, "Wat doe jij hier."
"Hrrllsss," sliste de slak.
En nog een keer: "Hrrllsss!" Toen begon de slak te huilen.
"Uffftttut," huilde de arme slak, "Ik ssschrok me een hoehoehoedje."
"Ik zie helemaal geen hoedje," zei Konaas, "Maar je hebt wel iets
op je rug. Dat lijkt wel een huisje. Wat ben jij voor 'n raar beest
dat zijn eigen huisje meedraagt?"
Jullie begrijpen nu natuurlijk wel dat Konaas nog een heel piepjong
konaasje was. Oude konazen weten allang dat slakken hun huisje
op hun rug meedragen.
Maar dit konaasje was nog erg pril zou je kunnen zeggen.
Kunnen jullie Jopa volgen?
De slak droogde zijn tranen en zei: "Ik ben maar een heel klein ssssssslakje
en ik heb het erg moeilijk met al die hohohoge grasssssprietjes om mij heen.
Ik sssssschiet hier geen meter op."
"Oh, wilde jij dáárom op mijn neus gaan zitten?" vroeg Konaas.
Het slakje dacht even na: 'Dat is eigenlijk wel een goegoegoed idee,'
en zei heel beleefd: "Assbliefft, ja meneer, als dat zzzzzouzou kunnen."
Daar moest Konaas toch even over nadenken.
Of hij dat wel wilde. Een slak op zijn neus.
Als zijn vriendjes hem zo zouden zien, zouden ze hem waarschijnlijk
heel hard uitlachen.
"Ha, ha, je hebt een slak op je neus! Je hebt een slak op je neus.
Ha, ha!"
"Kweet niet," zei Konaas aarzelend.
Hij keek naar de slak die daar beneden wel heel erg zielig
stond te friemelen tussen de huizenhoge grassprietjes.
"Tja, nou
nee," zei Konaas,
"Op mijn neus wil ik je niet, kruip maar op mijn rug."
De slak keek Konaas droevig aan.
"Dat is veel te hohohoog voor mij. Dadadaar kan ik nooit opkomen."
Konaas dacht na. "Weet je wat," zei hij,
"Ik draai me om en ga voor jouw neus op mijn hurken zitten.
Met mijn staartje op de grond. Dan kan jij daar wel opklimmen.
Maar je moet je goed vasthouden, hoor."
Konaas draaide zijn achterwerk om en hoorde gelijk een benauwd:
"Oeppfffnntt!"
"Wat nou weer?" riep Konaas.
"U zzzzzzizizit met uw stastastaart op mijn kokokop!" pruttelde de slak.
"Kan jij niet gewóón praten?" vroeg Konaas,
"Je bent voor een normale konaas nauwelijks te verstaan.
En zeg maar gewoon jij tegen mij."