BAD
De grijze duif is oud en moe. Kijkt wazig voor zich uit. In gedachte. Hoe het vroeger was.
Toen zijn vrouw gezellig meevloog. Zij de kinderen in bad stopten. Ruzie hadden. Soms.
Nu zit hij hier alleen. Weet eigenlijk niet goed waarom. Ja, het is wel lekker koel aan de poten. Maar veel zin om flink
de veren uit te schudden heeft hij niet.
"Daar word ik ontzettend moe van," had hij die kleine doerak van een mus verteld toen dat brutaaltje zei:
"Hé, opa, je ziet er weer niet uit vandaag. Je mag je haren wel eens kammen."
"Ach, jochie, laat mij maar. Ga jij maar lekker spartelen. Maar pas op, als de hemel valt, zijn alle mussen dood."
De drie musketiers kijken elkaar aan. Trekken onverschillig de vleugeltjes op. Ze zijn vol levenslust. Zorgeloos. Nieuwsgierig.
En voor niets of niemand bang. Ook niet toen ze van het dak afvielen van de hitte.
Ze hebben zich opgeblazen tot kleine donzen bolletjes. Zo af en toe spoelt een wat sterker golfje hun de helling af.
Dat vinden ze prachtig. Kwetterend van plezier fladdert het drietal weer omhoog.
De duif ziet zijn oude kop weerspiegeld en denkt wijsgerig: Hoe kan je nou blij zijn met een dooie mus.
---
Uit mijn proefschrift: badderen tegen de stroom in.