Van Jo Misdom met zo af en toe een plaatje bij een praatje
Dag 1 en 2 en 3 en 4
"Sodeju!"
Met afgrijzen zie ik de bloedprop in de wasbak en mijn eigen verschrikte gezicht in de spiegel erboven. Dat zit niet goed. De rode ster lilt nog wat na, geeft verder geen krimp en dribbelt langzaam richting afvoerputje. Gehaast loop ik naar mijn werk-kamer, pak de voor mijn vrouw heimelijk verborgen doos sigaren en stuiter de trap af naar de tuin. "Dat moet je dus niet meer doen," en boven de grijze vuilcontainer verbrijzel ik resoluut elke sigaar. Op één na.
Naar boven lopend realiseer ik mij dat dit natuurlijk weer uitgerekend in het weekend moet gebeuren. Ik dus niet direct naar een dokter kan gaan. Gelukkig is mijn vrouw bij uitzondering het hele weekend weg en kan ik lekker drie dagen lang onopvallend angstig uit mijn ogen kijken. Sombermans in eigen huis.
"Dit is kanker," denk ik, "Dat heb ik weer."

De volgende ochtend geen rode rochel. Zéér geruststellend. Dat geeft de burger moed. De trek naar een sigaar neemt ogenblikkelijk hevig toe. "Verdomd, ik heb er nog één." Halverwege dringt de realiteit weer door en de sigaar sissend in de plee gemept: "Slappe zak!" Chagrijnig wordt de zondag verder lijdzaam doorgebracht.    's Avonds nog een telefoontje van mijn vrouw: "Dag lieverd, is alles goed met je?"
"Ja schat, prima, veel plezier."

Maandagmorgen opnieuw een duivels rode fluim in de bak. Hevig contrasterend met het sanitaire wit. "TOCH!" Uitgerekend vandaag heeft de huisarts een snipperdag. Plaatsvervanger?  Nee, morgen dan maar. Een dag langer maakt ook nix meer uit. Trek in een sigaar.
"Waarom ga je naar de dokter?"
"Nou, ik zag wat roods in mijn sputum."
"Toch geen bloed?!"
"Ziet er wel zo uit." En vervolgens minimaliserend uitleggen dat het wel van de bloedverdunners komen zal. Het hele medisch circus trekt als in een boze droom voorbij. Een nachtmerrie met tragikomische nuances.
---

De LongArts
Dr. Flipse is zo long nog niet. Meer een ronde bal gehakt. Een driftig stappend kereltje met verraderlijk echt lijkende pretoogjes. Een ogenschijnlijk vriendelijk varkenskoppie. Lijkt in eerste instantie wel plezierig in de omgang. Maar wat kan een argeloos patiënt zich toch vergissen. Bij het minste tegengas blijkt dokter te behoren tot een door iedereen verondersteld uitgestorven ras.
Het moet gezegd de bronchoscopie doet hij bijna vaderlijk. "Dat lijkt op een flinke bronchitis," zegt Flipse opgewekt.
"Klinkt mij als hemelse muziek in de oren, dokter."

De CT-scan vertelt later een heel ander verhaal. En Dr. Flipse ook.
"Als ik dàt in mijn lijf had, liet ik het meteen weghalen. En als preoperatieve maatregelen stel ik daarom voor ……"
"Maar dokter mag ik daar niet even over nadenken?"
Verstoord kijkt het varkenskoppie mij aan en knort: "Mijn collega en ik hebben er veel tijd in gestopt om uw geval te bestuderen. Uw naam zullen wij dan ook niet licht vergeten en wij zijn tot de conclusie gekomen …..."
Zelfs mijn vrouw zit sprakeloos. Zelf luister ik wezenloos zonder dat het verhaal echt tot mij doordringt. Ziekenhuis? Operatie? Tumor? Vraag een verwijzing naar het LeeuwenbekjesZiekenhuis in Amsterdam. Daar weten ze immers alles van kanker. Boos klapt Flipse het voor hem liggend dossier dicht.
"Welnu, dat is dan zonde van mijn tijd. U kunt gaan, ik zit met een volle poli."
Later thuis sijpelt het onvoorstelbaar nieuws pas echt tot de stramme hersens door. Kanker. Ik ga dood. Mijn vrouw zegt voor het eerst: "Je moet positief denken."
Jezus, hoe doe je dat?
---

E-mail (1)
Geruchten doen de ronde. De vraag Hoe gaat het met je? komt steeds vaker op je af. Telefoontjes blijken erg belastend. Perpetuum mobile. Met een E-mail ben je in 1 klap klaar. Ik stel een adressenlijstje op en begin: "Kut, het is zo ver! Scan laat tumor zien. Goed- of kwaadaardig? Operatie zal het moeten uitwijzen. De molens gaan nu draaien. We zijn er aardig stuk van."
"Hoezo kwaad-aardig?" denk ik nog opstandig.
Maar verse adressen op mijn kankerlijstje worden quasi luchtig bijgepraat:
"Ik weet sinds een tijdje de gelukkige eigenaar te zijn van een tumor in de rechter bovenlong."
Preoperatieve onderzoeken nemen de eerste weken nog veel tijd in beslag.
De uitslagen zijn gelukkig gunstig. Maar daarna begint het lange wachten. Wachten op de datum van de volgende afspraak. Er komen E-mailtjes terug:
"Ik heb wat moeite de juiste toon te vinden op dat klotebericht. Ik val stil bij zoiets en vraag mij af hoe ik mijzelf zou voelen om daardoor onder woorden te kunnen brengen wat die ander doormaakt …..."
Van iemand die al veel langer kanker heeft: "Maak je maar niet druk over hoe erg het allemaal kan zijn. Als je iets erg vindt, wordt alles héél erg. Als je het maar over je heen laat komen, is alles een beetje erg."
En een derde: "Denken aan je, doe ik iedere dag. Als ik bijvoorbeeld niet in slaap kan komen, tel ik het aantal malen dat ik je over het hek zie springen."
Wat is humor toch een heerlijk medicijn.
---

De Poli
Ze zitten altijd vol, de wachtkamers van het LeeuwenbekjesZiekenhuis. Met stil voor zich heen starende mensen. Allemaal kankerpitten. Nooit een vrolijk en veel-vuldig gesigneerd gipsbeen dat voorbij komt huppelen. Zelden een blijde lach.
Soms, tussen 2 wachtenden voor je, een te luid gesprek dat je eigenlijk niet horen wilt. En iedereen is vrijwel altijd met zijn tweeën. Af en toe wordt de betrekkelijke rust verstoord door de begeleider van een dove kwartel.
"Zit je goed, moeder?"
"Ja, kind."
"Duurt wel lang, hè?"
"Ik bèn niet bang, kind."
Het kind van 50 kijkt vervolgens zoekend om zich heen en degene die haar blikken kruist is de sigaar. Moeders ziektebeeld wordt wachtkamerbreed gemeten.
Uiteraard voor iedereen verstaanbaar.
Ik vlucht de gang op. Haat kleine ruimtes. Ben ook als de dood te worden aangesproken en ga bij terugkomst met neergeslagen ogen zitten, liefst op een plek dichtbij de uitgang. Pak dan snel de eerste de slechtste Margriet, alleen om aan te geven niet gestoord te willen worden. Als tijdverdrijf heb ik de techniek ontwikkeld stiekem over mijn leesbril in te schatten wie van zo'n wachtend koppel de patiënt zal zijn. "Mevrouw Borst?!"
"Meneer VanOnderen?!"
"Mevrouw Verstapperen?!"
Vrijwel altijd heb ik goed gegokt maar verbaas me steeds weer over de verhouding vraagstelling en uitroepteken. Soms reageert niemand. Dan wordt het al snel wat dwingender: "Mevrouw Borst!!!?"
"Meneer VanOnderen!!!?"
"Mevrouw Verstapperen!!!?"

Mijn vrouw zit meestal geduldig te lezen, maar soms wordt ze door snelle initiatieven overmand. Ik schrik daarvan: "Wat ga je doen?"
"Even vragen hoe lang het nog duurt."
"Doe dat nou maar niet."

"Meneer Misdom?!" De zittenblijvers staren mij na.
---

TussenFase
Dr. Zandheuvel is een rustige figuur. Methodisch ook. En analytisch. Diplomatiek vooral. Zijn antwoorden laten alle ruimte open om later naar waarheid te kunnen zeggen dat hij dat nooit heeft gezegd. Voor zover hij op vragen antwoord geeft tenminste. Een aardige man die echter weigert spontaan het achterste van de tong te laten zien. Sterker nog … alleen op verzoek wordt de mond geopend.
Nu ik dit zo lees klinkt het negatiever dan bedoeld. Ik heb juist wel vertrouwen in de man.
Er wordt een plan van aanpak opgesteld dat leidt over een rijk besprenkeld röntgenpad. Veel bloed afgeven ook en heel vaak diep in- en uitademen. Letterlijk en figuurlijk. Tijdens onderzoeken mag een mens van alles.Godallemachtig, wat màg je veel: "U mag daar uw arm neerleggen."
"U mag hier gaan zitten."
"U mag daar een plasje doen."
"U mag hierin uitademen. En dieper dieper dieper … IN!"
Ik word er agressief van. "Lazer op!"
"Ik mag dan mogen, maar ik wil niet meer!" Het ligt  vaak vooraan op mijn tong.
Ook de naam geeft weer ouderwets problemen: "Hoe heet u?"
"Misdom."
"Ah, meneer Misdorp, u mag hier gaan liggen." Shit!
Ik zie er nog van komen eens in een ziekenhuis te eindigen met een verkeerd label aan de teen. Zou echt iets voor mij zijn. Onvindbaar, verloren, maar toch geliefd.
"Heden overleden een ons niet echt bekend patiënt."
De PET-scan is ook een zeer bijzondere ervaring waar je vooral veel voor drinken moet. Een heel gemene truc, want het gaat samen met een plaspil waardoor de blaas lange tijd op barsten staat. Vervolgens mag je gaan liggen in zo'n claustrofobisch tunneltje, waar in vijfminutenhapjes het lijf in negen stapjes wordt gescand. Vijfenveertig minuten stilliggen. Bewegen mag je niet. Bij 40 ploft de blaas al vrijwel uit elkaar. Maar vanuit een onzichtbare hoek zegt iemand opgetogen: "We doen er nog ééntje extra meneer Mispel."
Strompelend wordt nog net op tijd het toilet met kramp bereikt.
Later geeft de uitslag aan dat geen verdere ontstekingshaardjes in mijn lijf ontdekt zijn. Dat is goed nieuws. Een feestje waard.
"Laten we, voor je wordt opgenomen, nog even op vakantie gaan."
---

Vakantie
Door de nodige buitenlandse ervaringen wijs geworden haal ik 's morgens nog voor vertrek wat pillen bij de huisarts. Dat blijkt later goed gegokt, maar nu nog 850km van mij verwijderd. En van mijn vrouw natuurlijk.
De familie had gezorgd voor een schitterende chambre-d'hôte en bovendien voor prachtig weer. Bij een buitentemperatuur van 30 graden Celsius lig ik echter al de 2e, 3e dag huiverend van de kou onder een dikke deken. Maar wel met uitzicht op de vrolijk gekleurde, edoch gesloten, MarieClaire gordijnen. In gedachten visualiseer ik het daarachter liggend dromerige uitzicht over het dal van de Saône. Merde! Weer zo'n geweldige en aparte ervaring. Want het was al meer gebeurd.
Eén poot over de grens … en hòppa. Linke soep. De meeste kennissen begrijpen ook al jaren niet waarom we het telkens weer proberen. Kennelijk erg hardleers.

Door mijn tijdelijke invaliditeit bezorgd, en dus verstrooid, rijdt vrouwlief al de eerste dag onze auto achteruit tegen een gniepig opgesteld Frans muurtje.
Een actie die later in Nederland wordt geschat op een meerwaarde van ca 8000 gulden exclusief btw. Maar bij nader inzien vinden we het oude model toch fraaier, zodat, eenmaal terug, een gratis door de verzekering gedekte operatieve ingreep wordt gestart.
De rest van de vakantie verloopt gelukkig heel plezierig en ontspannen rijden we terug naar huis. Daar ligt een uitnodiging op de mat van het Leeuwenbekjes Ziekenhuis voor een operatie op 16 oktober.
---

De Opnamedag
Tijdig op een afspraak komen had tussen mijn vrouw en mij al telkenmale spanningen veroorzaakt. Volgens haar wil ik altijd te vroeg weg. En ook op de opnamedag arriveren we een half uur voor de afspraak in het ziekenhuis. De opnamebegeleider is nog niet in functie. Zo'n figuur is aangesteld om de rust uit te stralen van iemand die het goed met je meent. Je de zekerheid te geven dat het allemaal wel mee zal vallen. Alsof je slechts even op visite komt. Hiermee in tegenstelling heeft de opvanger van die dag het uiterlijk en de motoriek van een ouderwets geklede en plechtige uitvaartverzorger: "Mag ik U voorgaan?"
De stilte in de lift naar de afdeling wordt slechts verbroken door zijn blijde: "Zo, we zijn er al." Maar bij het even verderop gelegen wachtkamertje, wijzend naar een
rijtje lege stoelen, zegt hij met gedragen stem: "Mevrouw, Meneer, U wordt verder opgevangen door mevrouw Hupjes."

We zijn natuurlijk weer de eersten. Ongeveer een half uur later vertelt Hupjes dat de kamer nog niet klaar is. Pardon … gereed. Mijn met geknepen billen gestelde vraag kan godzijdank door haar alvast geruststellend beantwoord worden. Ik krijgt een eigen kamer! Het is jaren geleden dat ik klunzig voor het laatst gebeden heb. Maar nu: "Heer, heb dank voor deze spijze, amen."
Eenmaal alleen op de kamer is ons weinig rust gegund. Een bonte stoet van witte jassen trekt voorbij. Gevoelsmatig zal het de 14e figuur zijn geweest waarbij mijn vrouw zich uitgerekend afvraagt: "En wie bent U dan weer?"
"Ik ben de chirurg, mevrouw."
Niemand  is een vraag teveel.
Geduldig wordt alles direct verduidelijkt of gezegd daar later op terug te zullen komen. En de chirurg belooft zelfs mijn vrouw meteen te bellen na de operatie. "Het zal wel ergens in de middag worden," zegt hij.

De eerste warme maaltijd wordt vroegtijdig aangeboden. Bah! Dat valt tegen voor een stadsmens. Tussen-de-middag-warrum-eten. Middels het invullen van lange lijsten word ik bovendien geacht aan te kunnen geven waarin ik denk de komende dagen trek te zullen hebben. Dat is later dan ook nooit meer goed gekomen en telkens reageer ik weer verbaasd over mijn eigen keuzes. "Heb ik dat ooit besteld? Hoe is het mogelijk."
Tegen de schemering gaat mijn vrouw naar huis. Het valt haar zwaar mij daar te laten. Ik ben een risicopatiënt staat in elk rapport. Zien we elkaar ooit weer terug?
---

De operatie
Je bent al suf wanneer je van de kamer wordt gereden. Een prik, zittend op de operatietafel. Ik weet er nauwelijks nog iets van. Niet eens een droom. Een vacuum. Een vage hersenschim. Vanuit het niets van de narcose weer wakker moeten worden. Het tegen wil en dank terug op aarde komen. Heel vroeger droomde ik te kunnen vliegen. Als een hoogspringer wierp ik me ruggelings in de lucht en zweefde weg door met zijdelings gestrekte armen snel op en neer te wapperen.
Het onopgemerkte zweven boven alles uit gaf een gevoel van veiligheid. Dat echter altijd werd verstoord door plotseling en onheilspellend hoogteverlies.
Telkens was ik machteloos. Wilde nog niet landen. Ook nu weer.
"Wakker worden!"
Gejaagd beweeg ik de armen sneller op en neer. Hoogteverlies. De nabijheid van omstanders is al voelbaar. Ik word zelfs in het gezicht geslagen.
"Wakker worden!"
"Rot op!"
"Wakker worden!"
Wat willen ze? Waarom mij niet met rust gelaten? Dan zie ik wazig vrouw en dochter. Het is wel goed zo. Laat me maar. Ik leef toch nog.
"Nee, hallo, je moet wakker worden."
Ik geef het op. Het wapperen met de armen helpt niet meer.
"Hij zal nog een dagje extra moeten blijven," hoor ik in de verte zeggen. En nóg verder zit iemand luid te lachen.
"Dag lieverd!" en tedere kussen volgen. Ik ben weer bij de tijd.
---

E-mail (2)
Chirurg Dr. Zoethout heeft de bruisende op hoge poten activiteit van John Cleese. Een man die vandaag doet, wat hij morgen eigenlijk van plan is. Een bliksemflits.
Zijn assistent, Dr. Mûrir, is de complete tegenpool. Schuifelt onopvallend door de gangen en enigszins gebogen, alsof hij moeite heeft van zijn patiënten al het leed te torsen. Een zachtaardig man met de weemoedige oogopslag van een Golden Retriever.
Zoals door de chirurg beloofd, rinkelt vrijdagmiddag rond de klok van drie de telefoon: "Mevrouw, U spreekt met John Cleese. De operatie is vlekkeloos verlopen. Nu moet de patiënt het verder zelf doen."
Opgewonden en helemaal te blij verstuurt mijn vrouw op zaterdag een bericht aan de abonnees van verse kankermailtjes en eindigt met: "Hij heeft het weer gefikst! Maar niet geheel op eigen kracht. Jullie kaarsjes, schietgebeden en positieve energie hebben daar zeker toe bijgedragen. Heel veel dank voor je support en medeleven.
Heel veel liefs van een intens gelukkig mens."

In de weken voor de opname had ik haar min of meer geprest het E-mailen onder de knie te krijgen. Hoewel niet echt geïnteresseerd is haar dat toch gelukt.
Nu arriveren verbaasde mailtjes in haar 'Postvak In': "Gefeliciteerd met de succesvolle digibetisering en de afloop van de operatie."
"Zo, ben jij nu de computer wizard geworden?"
Maar ook: "Ik was ontroerd te lezen, dat je nu een zeer intens gelukkig mens bent. Na alle angst die je moet hebben gehad ….. "
Haar tweede mailtje is getiteld De WederOpbouwVoortgang maar de derde keer weigert die vervloekte toverdoos haar alle diensten. En dat is balen als een stekker, want ze heeft de smaak van computeren nu net te pakken.
---

De Verpleging
Als je na de operatie wakker wordt, lig je hulpeloos voor anker.
Een weerloos slangenmens. Twee rode transparante potten staan luidruchtig op de grond te borrelen met viezigheid. De dikke slangen verdwijnen ergens in je pens.
De bedrand is versierd met een grote gele zak urine. Een geheimzinnig slangetje glipt stiekum naar je rug. En intussen piepen de infusen als ze leeg zijn.
Zelf kan je nix. Alleen genieten. Want iedereen is heel bezorgd.
De katheter is de eerste die gedag zwaait.
Hélaas … nu mag je bellen als je plassen moet.
Na drie dagen word ik zeer handig met het overbruggen van de afstand bed naar wasbak. Ik poets al zelf mijn tanden. Maar een schoon pyamajasje vergt een goocheltoer om alle slangen door die ene mouw te wurmen. Uiteindelijk moet er tòch worden gebeld en in textiel verward sta ik te wachten tot er iemand bij mij komt. In de verte hoor ik haar al zingend aankomen. Oh jé!
"En wáárrrrr zijn we dan wel weer mee bezig?!"
Eerder die dag had ze zich voorgesteld: "Ik ben Ruth."
"Een mooie bijbelse naam," heb ik gezegd en nog gevraagd: "Leef je daar nu ook naar?"
Ruth blijkt een zangerig tiepje. Maar later in de week zou ze zich ontpoppen als een wandelend gezwel. Fluitend, pratend, neuriënd is ze de hele dag bezig met zichzelf en komt 's morgens bij je binnen met: "Ziezóóó, daar zijn we weer."
Na niet al te lange tijd begint dat geneurie ook te irriteren. Ruth is een belegen huppeltrut. Maar alle anderen zijn geweldig. En allemaal uniek. Naar ieders geaardheid vult elk karakter de zorg voor de patiënten naar beste kunnen in. En het verschil in leeftijd, merk ik, maakt ook dat iedereen weer anders omgaat met pijn, ongemak, verdriet. Hun reacties zijn van bijna moederlijk, via efficiënt bezorgd, tot nuchter reagerend. Maar voor niemand is er ook maar iets te veel.
Ze zijn echter met te weinigen. Ze werken zich kapot.
---

Het Wonder
Ik lig wat te doezelen tijdens een after breakfast uurtje. Hoor ineens Dr. van der Cirkel zeggen: "….. heb net een voorlopige uitslag gekregen van de patholoog anatoom. U had een aspergilloom."
"?????????????????????"
"Aspergillus fumigatus. Een schimmelbal."
Verwonderd kruk ik me omhoog: "Dokter, alles lijkt mij beter dan kanker."
Dr. van der Cirkel is het daar wonderlijkerwijze niet helemaal mee eens, want na die cleane operatieve  verwijdering van een kankertumor zou u overal vanaf zijn geweest. Zegt hij.
"En nu dan?"
"Even wachten op de definitieve uitslag van de PA, maar waarschijnlijk voor de zekerheid een half jaartje lang een drankje drinken,"
Wanneer de dokter weg is, bel ik mijn vrouw: "Ik heb geen kanker."
"Wàààààt?"
"Ik heb een schimmelbal."
"Wat is dat?"
"Ik heb geen kanker."
"Oh, lief, wat fantastisch, maar ik begrijp het niet."
"Ik ook niet schat, maar ik heb géén kanker,"
"Ik ga Menno bellen."
"Doe dat lief, tot straks."

Van der Cirkel had ook gezegd: "Ja, ik heb wel patiënten gehad die er aan zijn overleden." En verzachtend was daar nog achteraan gekomen: "Ja, nee, dat geldt niet voor u hoor." Maar mijn eerste vreugde had de dokter goed verziekt.
Voor de 134e röntgenfoto word ik per bed naar beneden gereden en sta in de gang geparkeerd even op mijn beurt te wachten. Dr. Zandheuvel komt voorbij, ziet mij liggen en haast zich spontaan met uitgestoken hand op mij af: "Mag ik u feliciteren met dat prachtige nieuws. Dat beleven we hier niet elke dag. Fantastisch!"
"??????????? Maar!!!!!!!!!!!!!!!!"
"Ja, nee jôh, niet zeuren. U hebt géén kanker."

Tijdens het bezoekuur komt mijn vrouw juichend binnen: "Ik heb Menno gebeld.
Dit is het mooiste nieuws wat we hadden kunnen horen." Knuffel, knuffel, knuffel.
"Ja lief, dat dacht ik ook, maar van der Cirkel zei …………."
"Begrijp ik niet hoor. Dr. Zanddinges was er toch ook blij mee? Nou dan!
We laten het ons nog wel eens een keertje goed uitleggen."
Tijdens de rest van het bezoek kijken we elkaar zo af en toe wat ongelovig aan. We lachen. Onze handen zoeken en sluiten zich met zachte druk ineen. Fantastisch. Ongelooflijk. Géén kanker.
---

Zag 2 chirurgen schimmels wurgen oh, dat was een wonder,
was een wonder, boven wonder dat chirurgen wurgen konden,
hihihi, hahaha, ik lag er bij en ik vond het raar.
---

De Katheter
Het hulpventiel wordt kundig ingebracht door een verpleger. Zijn assistent, een jong en onervaren blondje: "Doet dat pijn?"
"Nou nee, niet echt, maar ik heb wel leukere momenten met Jan Thomas beleefd."
Ze knikt begrijpend. Zo onervaren is ze nu ook weer niet. Ruim een liter urine later werkt mijn pik weer als een gieter. De schade valt mee. Maar dat laatste lijkt maar zo. Aan het eind van de middag was de uroloog van de 7e verdieping naar beneden gedaald. "Vanuit de zevende hemel," dacht ik nog, want het leed was toen geleden.
De hele nacht daarvoor had ik naast mijn bed gestaan, vergeefs getracht te urineren en had een dienstdoend arts om twee uur 's morgens een urinewegontsteking geconstateerd: "Veel drinken, meneer." Maar gvd, het kwam er niet meer uit.
Overdag had Ruth, al neuriënd, de ernst van mijn gezeur onvoldoende ingeschat en mij vrolijk fluitend de hele lange dag verwaarloosd. Daarbij geholpen door een onervaren zaalarts. Mijn smeekbedes werden min of meer kleinerend weggewuifd:
"Ja Jo, we hèbben contact gehad en de uroloog denkt óók aan een blaasontsteking."
"Ja Ruth, dat denken is wel leuk, maar wat doen we er tegen?"
"Veel drinken, Jo."
Krijg de hik!
Nu lig ik het laatste nieuws vloekend te verwerken: "Uw blaas is uitgerekt. Dat vergt veel tijd weer goed te komen. U gaat naar huis met een katheter en over vijf weken zie ik u weer terug."
Wat kan je wereldje in korte tijd veranderen door zo'n stomme tuinslang.
---

Weer Thuis
Het is niet meer hetzelfde. Ook niet zoals in het ziekenhuis. Ik ben niet alleen de tumor, maar ook mijn ritme kwijt. Een aantal dingen gaan niet meer vanzelfsprekend. Dat spreek ik na en aantal dagen zelf maar uit.
Het lijf met name protesteert bij heel normale handelingen. En 's middags ben ik moe, dan moet ik rusten. De Oude Man staat te barsten van de slaap.
Maar dit klein ongerief is peanuts vergeleken bij alles wat de laatste maanden om ons heen gebeurde. Het dagelijks verdriet. "Geluksvogels zijn we. Alles kan 100 maal erger."
Ik ben ook opvallend afgevallen. Maar mijn vrouw heeft al jaren een relatie met de weegschaal: "Hoeveel weeg je nu?" vraagt ze.
"Acht en zestig." Dat prikt enorm. Zij is nu zwaarder.
"Maak je niet dik!" roep ik, "Je ligt lekker in de hand."
Ikzelf daarentegen oog in de spiegel hol. Daarbuiten trouwens ook. Ik ben wat bleekjes, de botjes zijn geprononceerd en die tuinslang hangt er ontzettend lullig bij.
Ik loop naar boven.
"Wat ga je doen?"
"Computeren. Ik moet de abonnees het wonder nog vertellen."
---


Van:        J.Misdom <info@jomisdom.nl>
Aan:        abonnementhouders
Verzonden:    donderdag 28 september 2000 12:03
Onderwerp:    AllerLaatsteNieuws

AllerLaatsteNieuws: Ik heb géén kanker!
Tegenover de lieve mensen onder jullie, waarvan ik weet dat ze het wél hebben, bekroop me een soort schaamtegevoel toen ik het hoorde, maar het kan - zo zullen jullie hopelijk begrijpen - toch niet verhinderen dat wij ongelooflijk blij zijn met dit geweldig nieuws. Maar wat heb/had ik dan wel?
Een Aspergillus Fumigatus. En dat heeft nix met asperges te maken. Ook niet met een uitheemse kamerplant, hoewel ….. Het is een uitermate vervelend soort schimmel, dat letterlijk en figuurlijk simpelweg uit de lucht komt vallen. Want hoe kom je eraan? Gewoon inademen en als je er niet gevoelig voor bent gebeurd er nix … noppes … 0,0. Het kan toeslaan als je lijf het een lekker schimmeltje vindt.
Anders gezegd: Als je niet goed in je vel zit. Zoals bijvoorbeeld twee jaar geleden in Spanje toen ik een serie longemboliën kreeg.
Niet gezegd dát het toen is gebeurd, maar het zou kunnen. De schimmel kan zich nestelen in een holte van de long en er ontstaat een z.g. aspergilloom ofwel een schimmelbal. Dat was de 'tumor' die op alle foto's en scans te zien was.
Ben ik nu voor niks geopereerd en is er voor Jan Doedel een longkwab verwijderd? De geleerden zeggen natuurlijk: "Nee, want het kreng moest er toch uit." En door de hele kwab te verwijderen hoopt men dat ook eventuele 'zwevende' (eigen inter-pretatie!) schimmels zijn weggehaald. Dit laatste moet nog bevestigd worden door een nader onderzoek van de patholoog-anatoom in de rest van de weggenomen kwab. In het gunstige geval ben ik er vanaf zeggen ze en anders moet ik een half jaar een vies drankje drinken, maar ….. Ik heb géén kanker!

Lieve Mensen,
met deze laatste kreet neem ik e-mailafscheid van jullie. Een mooier bericht is niet meer te verzinnen. Wel wil ik nog zeggen dat het schrijven en ontvangen van de vele E-mails mij op een goede manier heeft bezig gehouden om één en ander te kunnen verwerken en de achter ons liggende maanden door te komen.
Dank, dank, dank voor alle bemoedigende woorden, telefoontjes, brieven, kaarten, bloemen en geestelijke intimiteiten, zoals duimen, kaarsenbranden, schietgebedjes, kruisjes slaan, positief straalzenden, maar met name het 'gewoon' op het goede moment aan mij denken. Je ziet … het heeft allemaal geholpen.
---

Ik zucht en rek mij uit. Dat was een lange e-mail. Maar wat een fantastische boodschap. Het is nog steeds moeilijk dat zelf in volle omvang te beseffen.
"Ik ben een gelukkig mens." Ik leun achterover en druk op de knop 'verzenden'.
Einde verhaal. 'Vlekje 2000' is geschreven.
---

In het voorjaar was het vijverriet voor het eerst hoog opgeschoten.
En produceerde in de zomer bruine fakkels.
Zeventien sigaren was zijn deel.
De najaarstuin was bezaaid met extreem veel paddestoelen.
Witte schimmels die snel bruin verkleurden, verbrokkelden
en verzakten als waggelende dronkaards in een bos.
Verbrijzelde sigaren in het gras.
---

Hilversum, oktober 2000
BoekenKeuze